|
Jan Baptist |
|
|
Nederland (1892) (Vertaling:
Jan Baptist, 2008) I Als
je vanuit het zuiden voor het eerst Nederland nadert, is een
zekere spanning en
nieuwsgierigheid niet te vermijden. Wat zal het eerst en het
meest opvallen, de
vlakheid van het land, zijn vruchtbaarheid, de kanalen of de
architectuur van de
steden. Zoals iedereen weet
zie je in alle landen eerst alleen maar stations, grotere of
kleinere. Overal
dezelfde eenvormigheid en stiptheid – behalve in sommige
uithoeken van Europa.
In het begin ontdek je van het nieuwe land alleen maar de
perrons, het
spoorwegpersoneel, de stationchefs, de dragers, en op alle
gele muren blinkt het
van de borden: Van Houtens Cacao. Al in België speelde
Van Houtens Cacao een grote rol. Waar je liep, waar je stond:
Van
Houtens Cacao. Maar in Nederland werd het een
bezetenheid. Zoals de reizende
Brit volgens Goethe’s vertelling in Romeinse Elegieën overal,
van Parijs tot
Livorno, van Livorno tot Napels achtervolgd wordt door het
volksliedje over
Marlborough, zo wordt de reiziger in onze dagen achtervolgd
door reclame. Op
alle stations met rode, blauwe of gele letters op een zwarte,
gele of
hemelsblauwe ondergrond: Van
Houtens
Cacao, best goodkoepest in gebruik. Landschappen – je
ziet ze bijna niet,
zo snel rijdt de trein en als je al wat ziet dan is het een
paal met een
opschrift: Van H… of een plakaat, waarop je nog net de laatste letters ziet: bruik.
Je stopt bij een stad, je kijkt uit over Roosendaal of
Dordrecht, niets, heldere
muren met best goodkoepest in reuzenletters. Vanaf alle stoomtreinen en alle
straathoeken blinkt dezelfde formule. Je krijgt de indruk dat
je in Cacaoland
bent, proeft zelfs een chocoladesmaak in je mond. Het lukt je
niet die
verrvelende slagzin uit je hersenen te bannen, je verliest je
goede humeur en
dan moet je tot je ergernis ervaren dat Blookers Cacao veel
beter is. Toch zijn er tijdens
de reis van Brussel naar Amsterdam een paar momenten, waarop
je het koppige
marktgeschreeuw vergeet en verrast wordt. Dat is wanneer de
trein hoog in de
lucht over en langs de grote, mooie havenstad Rotterdam
glijdt. De trein rijdt
op gelijke hoogte met de daken op het machtige Beursplein. Je
kijkt neer in een
hele grote stad met mooie, goedgebouwde gevelhuizen, kijkt
door een paar
hooggeplaatste ramen bij Nederlandse mensen naar binnen, bezig
met hun dingen;
krijgt in vogelvlucht een indruk van het krachtig pulserende
leven van de stad,
de drukte in de haven, honderden schepen ver weg – en direct
beneden: de grote
groentemarkt, zoals je je die voorstelt uit de tijd van
Christian de vierde,
omgeven door hoge huizen, en midden in het gewemel en de
groenten een bronzen
beeld van een knappe, geleerde man, bladerend in een boek, in
wie je meteen
Erasmus vermoedt. Hij is het ook die daar staat, eenzaam in
die samenklonterende
schare, de grote geleerde die de satire Lof der Zotheid
schreef, die nu weer is
uitgegeven in een alleraardigste Franse versie met tekeningen
van Hans Holbein. Een ogenblik later
is
het uitzicht verdwenen, het landschap strekt zich vlak en
vruchtbaar uit met
overal windmolens, vlakbij en ver weg. Dan opeens het gevoel
alsof je gewurgd
wordt. Per ongeluk ben je terechtgekomen in een rookcoupé en
daarin hebben zich
zeven dikke Nederlanders verzameld, die zich als echte
Nederlanders niet echt
menselijk voelen als ze niet de lucht verpesten met rooktabak.
Ze roken,
onafgebroken, gewetensvol alsof ze hun plicht doen. Een van
hen is bang voor
tocht en dat ontbrak er nog aan; ze sluiten de ramen, en
terwijl een ander
vriendelijk Nederland en het Nederlandse karakter begint uit
te leggen, wordt de
lucht meer en meer ondoorzichtig, niet om in te ademen,
stinkend, onmogelijk,
totdat je vertwijfeld armen en benen strekt en nog maar een
gedachte hebt:
Amsterdam. Eindelijk ben je er,
snel in de wagen naar het hotel, dat prachtig midden in de
Kalverstraat ligt. Je
staat op het balkon van het hotel. Wat een verrassend gezicht!
Door de smalle,
geasfalteerde straat bewegen zich, in het felle licht van
elektrische lampen en
gaslampen, twee dichte stromen mensen in een soort optocht
langs elkaar heen.
Aan beide kanten van de straat verheffen zich huizen, hele
smalle met drie en
soms slechts twee vakken, huizen van zwarte en rode stenen met
spitse gevels,
waaruit een balk steekt. Met behulp van een touw, die aan de
balk hangt, worden
alle goederen vanaf de straat naar de bovenverdiepingen
gehesen. Direct tegenover
hotel Adrian staat een huis dat een waarlijk elektrische
lichtbron lijkt. De
benedenverdieping ziet eruit als de entree van een panorama;
het brede raam
toont in klein formaat een onbekend landschap. Ik loop naar
beneden de straat op
en bekijk het. Door een tropische omgeving, Amerikaans of
Aziatisch, stroomt een
machtige rivier; daarop vaart een leuk gebouwd stoomschip
tussen grote plantages
met cacaobomen. Ik kijk op en lees in bronzen letters dwars
over de ruit: Van Houtens Cacao best goodkoepest in
gebruik. II Als ik aan Amsterdam
denk of aan een van die andere oude Nederlandse steden, dan
zie ik als eerste
een gracht voor me, dat wil zeggen een straat, waarvan het
midden wordt gevormd
door een breed kanaal en waar op de ruime trottoirs aan beide
zijden een rij
hoge, welig groeiende iepen met machtige kronen staan, die in
de zomer een koele
schaduw bieden. Nergens anders in Europa zie je zulke straten.
In Venetië
ontbreken de bomen; in Berlijn en Parijs, waar er vaak bomen
staan, ontbreken de
kanalen. Deze combinatie van rijweg en waterweg, van wandelen
en varen, van
landelijkheid en stadsleven en rivierleven is uniek
Nederlands, gezellig en
schilderachtig tegelijk. En daarbij komt dat alles een
aantrekkelijke,
ouderwetse uitstraling heeft, ouderwets zonder vervallen te
zijn of
ongemakkelijk of oud, alleen ouderwets eerbiedwaardig en toch
heel praktisch. Amsterdam is zoals
bekend een stad die is gebouwd tegen de natuur in, en dat in
een hogere graad
dan Venetië of St. Petersburg, gebouwd zoals men dat in
voorhistorische tijden
deed, in de tijd van de palissadebouw. De stad is gebouwd door
een noordelijk
schippersvolk met gevoel voor schoonheid; door het enige
Germaanse volk dat
getoond heeft te beschikken over een schilderachtig gevoel en
kunstzinnige
oorspronkelijkheid vanaf het moment dat het ontstond als volk. Alleen omdat het een
tegenstelling is, denk je aan die andere in de zee gebouwde
stad, de patriciërs-
en paleizenstad Venetië. Dit hier is een volkse burgerstad,
die ondanks zijn
grijze hemel, zijn natte sneeuwbuien en zijn armoedige,
gebrande bakstenen een
bijzonder ideaal tot werkelijkheid heeft gemaakt en in
tegenstelling tot Venetië
in staat is geweest zijn handel en zijn rijkdom te bewaren. Wat een rijkdom in
dat oude Nederland, wat een rijkdommen overal in zijn hoeken
en gaten! Ik was
uitgenodigd bij een van de grote bankiers van de stad. Hij
bewoonde een mooi,
maar onopvallend huis met veranda en een tuintje aan de
Heerengracht. Hij was
het prototype van die op de adel lijkende miljonairs, die
allemaal hetzelfde
zijn in Parijs, Warschau, St. Petersburg of Amsterdam:
evenwichtig, slim,
welwillend, alwetend. Zo was hij bijvoorbeeld bekend met de
handel en kende hij
de vooraanstaande persoonlijkheden in Kopenhagen. ‘Doet u
zaken met de
Rothschilds,’ vroeg ik. ‘Wel gedaan,’ antwoordde hij, ‘nu doe
ik alleen
nog zaken met regeringen.’ Ik vertelde hem mijn indruk van de
Nederlandse
rijkdommen. ‘Ja,’ zei hij, ‘het is ongelooflijk wat een
rijkdom er
verborgen zit in dit land. Je merkt het bij elke gelegenheid
als er een beroep
op wordt gedaan.’ Als een wereld op
zich ligt in een hoek van deze noordelijke stad de jodenwijk,
bewoond door meer
dan 30.000 mensen; het is merkwaardig om de Joodse bevolking
hier in alle
beroepen te zien: verkoopsters op straat, groentehandelaren op
de markt, slagers
en knechten, en ook kooplieden en winkelpersoneel, iedereen is
Joods. Met zijn
rumoerig straatleven tijdens de zomer doet dit deel van de
stad denken aan het
oude getto in Rome, dat in vergelijking slechts klein en
betekenisloos is. Hier werd in 1845
Sarah Bernhardt geboren. Er zijn nog veel mensen in Amsterdam
die haar en haar
ouders hebben gekend. De Franse edelman met voorvaderen terug
tot aan de
Kruistochten, die haar vader zou zijn, moet naar alle
waarschijnlijkheid naar
het land der fabelen worden verwezen. Hier woonde in zijn
vroege jeugd Baruch Spinoza. Aan de uiterste rand
van de wijk in de Jodenbreestraat woonde van 1640 tot 1663 de
man met de
grootste naam binnen de Nederlandse kunstwereld, zoals Spinoza
hun grootste naam
binnen de filosofie is, Rembrandt van Rijn. Hier heeft hij
dagelijks de modellen
voor zijn verrassend grote hoeveelheid Joodse gezichten op
zijn schilderijen en
etsen voor ogen gehad. In dit kleine gebied
ontmoeten deze twee onsterfelijke namen elkaar, Spinoza en
Rembrandt. De man die
de menselijke gedachte bevrijdde van de middeleeuwse
opvattingen, en de man die
de schilderkunst herboren liet worden of beter gezegd opnieuw
creëerde op
noordelijke bodem. Spinoza – je voelt
een zekere warmte in je borst als je aan hem denkt en met hem
meevoelt. De
gedachten van degene, die hem in zijn jeugd heeft gelezen,
hebben een vuurdoop
ondergaan, louterend en betoverend. Spinoza is de held van de
gedachte zoals
Shelley van de poëzie. Nederland, dat Descartes onderdak had
geboden en dat
onder de dwaze geloofsijver van Spinoza’s eigen volksgenoten
hem een
vrijplaats had geboden, verdient als het oude koppig trotse
vaderland van de
vrijheid in het noorden de glans die haar nu met deze naam
omringt. En toch was er in
onze tijd strijd nodig om op de Paviljoensgracht in Den Haag
een standbeeld van
Spinoza geplaatst te krijgen. Mijn eerste bezoek
aan Den Haag gold Nederlands grootste levende schilder, de
tweede Nederlands
grootste dode, het beeld van Spinoza in de Spinozastraat. Ik
vond het op een
grijze ochtend in juli, die afgelegen straat met zijn smalle
gracht en zijn
bomen, en daar zo ver van het stadsverkeer op een rode
granietsokkel de zittende
bronzen figuur, bescheiden, in slechts bijna natuurlijke
grootte – een werk
van Hexamer. Een meesterwerk is het niet, maar wel een
serieus, betekenisvol
kunstwerk. Ja, zo heeft hij er uitgezien, zo nadenkend en
peinzend, zo hoog in
aanzien, zo nonchalant in zijn houding; hij, de eenvoudigste
denker en de
diepste. Ik dacht aan zijn
levensdaden, aan de originele uitgave van zijn Nagelaten
Werken in zijn
prachtige kaft thuis in mijn boekenkast en aan de onuitwisbare
indruk die ik
kreeg toen ik het boek voor het eerst las. De Ethica en
daarvan weer het derde
deel gaf mij de verklaring voor zijn menselijke overtuigingen,
die een zo
bijzonder inzicht geven in zijn zielsleven en nu en dan zicht
geven op het
persoonlijk leven van de denker. Hij moet zelf hebben geleden
onder de jaloezie
om het met zoveel liefde en met zulke sterke en nuchtere
woorden te kunnen
beschrijven. Zijn gedachtenleven heeft zijn gevoelsleven
echter al vroeg op de
achtergrond gedrongen en hij leefde volledig verzoend met het
bestaan, gedragen
door zijn filosofisch godsbegrip. Nooit overwonnen door de
zorgen van het aardse
leven, onbeïnvloed door verbanning en haat, oneindig geduldig
tegenover
goedgelovige leerlingen die hem niet begrepen en die in plaats
van te proberen
hem te begrijpen probeerden hem te bekeren tot hun
mirakelgeloof. Waar dat huis staat,
met twee verdiepingen, dat smalle, een paar passen van het
beeld vandaan, daar
heeft hij gewoond op de zolderkamer. Van daar ging hij
dagelijks wandelen langs
de stille gracht in dit afgelegen stadsdeel, en van hier
hebben ze hem met zijn
voeten eerst weggedragen om hem in vrome onschuld en
onwetendheid naar de Nieuwe
Kerk aan het Spui te brengen, alsof hij een gelovige en een
christen was. De tijd zal
misschien
komen waarin degenen die in Spinoza hun geestelijke stamvader
zien, de eerste
ontdekker van de grondgedachten en de waarheden die gelden in
het moderne
geestesleven en in de moderne wetenschap, talrijk zullen zijn,
net zo talrijk
als vandaag degenen voor wie hij een onbekende is. Dan, over
honderden jaren,
zullen deze plekken waar hij in Nederland leefde en de plek
waar hij stierf het
Mekka van de vrije geesten worden. Is Spinoza het
sterkste geestelijk licht dat straalde vanuit Nederland, dat
ondanks zijn kleine
omvang op eigen houtje vrijheid eiste van de geloofsdwang van
het Spaanse
wereldrijk en van de angstaanjagende tirannie, zo is Rembrandt
het sterkste
licht in de kunst dat opvlamde uit het vuur van de vrijheid.
Rembrandt is de
grootste kunstzinnige personificatie van de geest van de
Noordelijke
Nederlanden, zoals Rubens dat is van de Zuidelijke
Nederlanden. Maar Rubens
kunst is niet in dezelfde graad als die van Rembrandt inheems
en persoonlijk.
Heel Italië is terug te vinden in de kunst van de grote
Vlaming: Michelangelo,
Titiaan, Veronese. Het is een Romeinse compositie met Vlaamse
kleuren, of beter
gezegd: het is de grootse vermenging van het Romaanse en het
Germaanse – het
Romaanse nuchterder vertaald; het Germaanse verrijkt met het
stijlvol
gearrangeerde – passend bij het wezen van de Zuidelijke
Nederlanden. Als je in het
Rijksmuseum in Amsterdam de grote middenzaal binnenkomt met
Bartolomeus van der
Helst rechts en Frans Hals links, sta je meteen voor
Rembrandts Nachtwacht (het
zou Dagwacht moeten heten), een doelenstuk als alle andere in
de geest van die
tijd, maar uitgevoerd zoals nooit eerder een doelenstuk was
geschilderd. Zelfs al heb je
Rembrandt gezien in de Europese musea, begrijp je hem pas
volledig hier tussen
zijn beste tijdgenoten. Wat een genialiteit!
Rembrandt heeft kapitein Frans Banning Cocq, luitenant Willem
van Ruitenberg en
al die andere onbetekenende mensen, die vergeten waren tien
jaar na hun dood,
onsterfelijk gemaakt zolang onze cultuur bestaat. Op bepaalde
manieren is aan
Rembrandt te zien dat hij al toebehoort aan een tijd van
verval, beter gezegd:
er is bij hem net als bij Corregio, en zelfs bij Michelangelo,
iets wat aangeeft
dat de duizelingwekkende hoogte, waar het verval begint, is
bereikt. Maar
terwijl ik dat beeld in me opnam, zei ik in mezelf: hij is
onbetwist en zonder
twijfel een genie, omdat hij iets nieuws heeft gevonden dat er
altijd al was en
toch nooit eerder voor hem werd gezien of weergegeven met zo’n
bewustheid: de
betovering van het licht. Je kunt niet naar de andere
schilderijen in de zaal
kijken – en er hangen meesterwerken tussen – na zijn
schilderij gezien te
hebben. Het is een talent dat, weliswaar beheerd en
ontwikkeld, naar voren komt
met de oorspronkelijkheid en sterkte van een natuurkracht
vanuit het diepe
innerlijk van een mens, die de grootste ziener van zijn volk
was. En hij komt
voort uit zijn volk, hoe bijzonder hij ook is. Pieter Lastmans
schilderijtje in
Haarlem, De vlucht uit Egypte, is al Rembrandt in de dop, maar
alleen in de dop. In de Nachtwacht
worden geen grote gevoelens weergegeven, helemaal geen
gevoelens, en er is geen
schoonheid in de hoofden of de figuren, maar het is alsof je
getuige bent van de
ontdekking van de poëzie van het licht. Feitelijk heeft
Rembrandt de schilderkunst uitgevonden; hij is de stamvader
van alle schilders.
Hij heeft de schilderkunst uitgevonden zoals Pascal het
christendom heeft
uitgevonden. Rembrandt is de tegenpool van Michelangelo. Deze
geweldige Italiaan
toont de prachtige omtrek, door zijn groots genie bezield met
een grootse,
donkere hartstocht; hij is ook in de schilderkunst figuratief.
Rembrandt heeft
portretten geschilderd van het hoogste niveau, indrukwekkend
en ongekunsteld, en
hij heeft onovertroffen tekeningen nagelaten. Maar het meest
uitgesproken is hij
als de opperpriester van licht en kleur, en door deze
geestelijke
schilderachtige aanleg werd hij de begripvolle schilder van
nood en ellende en
van het christelijke medeleven. Niemand heeft als
hij
het bodemloze in de duisternis weergegeven, niemand als hij de
zwaarmoedigheid
van de schaduw, niemand als hij het gewelddadige inbreken en
het betoverende
spel van het licht op de meest alledaagse voorwerpen, half
binnendringend in
zijn zelfverklaarde wereld. Niemand daarom als hij het
mensenleven dat leeft en
rondkruipt in de schaduw. Denk aan De honderd gulden prent.
Hier zijn op de
rechterkant van het schilderij de zieken en lijdenden uit de
naamloze, arme
bevolking verzameld, door het harde werken versleten, lammen
en blinden,
versleten en bang met nog maar één hoop. En midden tussen hen
in staat als een
lichtstraal uit de wereld van het licht, in een lichtstraal
uit de wereld van
het licht, Christus, de troost in mensengedaante, het eeuwige
mededogen,
zwaarmoedig als de ellendigen, zwaarmoediger dan zij. De Italiaanse kunst
is een kerkelijke en een adellijke kunst. Onder het mom van
vroom te zijn of
zoals in Venetië vaderlandslievend worden de meest geslaagde
bomen uit het
mensenbos voorgesteld: een wereld van priesters, vorsten en
patriciërs. De
Nederlandse kunst is burgerlijk en republikeins. Het is de
troonsbestijging van
de sterke, vrijgemaakte, levensblije burgerstand. Overal is
die
burgersamenleving, zijn die burgerlijke stadsbestuurders,
gildevoorzitters,
ziekenhuisbestuurders, schuttersverenigingen voor het
nageslacht geportretteerd.
Daarbij komen in de geschilderde volkslevens de kleine burgers
en boeren,
tevreden met hun bestaan. Bij Rembrandt is het gewone volk er
bijgekomen, niet
prozaïsch of komisch weergegeven, maar meelevend terwijl ze in
de schaduw hun
stille plantenbestaan leven, verlost door het licht. Er zit
een zwak
socialistisch element in Rembrandts kunst. III Hierover zat ik te
dromen toen een Nederlandse, overtuigd socialistische auteur
me in mijn hotel
opzocht. Hij verdiende weliswaar zijn brood als medewerker bij
een
levensverzekeringsmaatschappij, maar had zijn volle aandacht
bij het jonge
Nederlandse tijdschrift De Nieuwe Gids, met wiens andere
leidende mannen ik
spoedig kennis zou maken. De socialisten zijn in Nederland
onder leiding van
Domela Nieuwenhuis net als elders een groeiende macht. Hr. van
der G. maakte een
voortreffelijke indruk. Zijn blik voor de gebreken van de
huidige samenleving
liet niets aan scherpte te wensen over. Hij had een door eigen
denken verkregen
overtuiging en over het algemeen is het aangenaam te praten
met overtuigde
mensen die niet door erfenis of besmetting tot hun geloof zijn
gekomen. Deze
jongeman was zoals alle toekomstmusici voor alles overtuigd
van de zuivere
logica van zijn opvattingen over de toekomst. Hij had het zo
geregeld dat we,
als de nieuwe staatsinrichting had gewonnen, konden volstaan
met vier uur
dagelijkse arbeid en voor de rest vrij waren in onze
ontwikkeling. Het was niet
juist het socialisme op te vatten als een heerschappij van de
dwang of een
staatsheerschappij. Het socialisme wilde juist de persoonlijke
vrijheid
waarborgen zoals tot nu toe nooit was gebeurd. Hoe dat in
detail moest gebeuren,
was en bleef moeilijk voor te stellen. De jonge socialist leek
ook niet het
raadsel van de toekomst te kunnen oplossen, meende in zijn
algemeenheid te weten
welke weg naar het doel leidde. We liepen samen door
de stad. Hij toonde me de haven met zijn Schreierstoren, zo
genoemd, omdat de
schepen die over de wereldzeeën voeren in vroeger tijden hier
vertrokken en
vrouwen en kinderen bij het afscheid hier stonden te huilen.
We proefden in
Wijnand Fockings bekende oude schenkerij van de
voortreffelijke Nederlandse
jenever. We lazen de plakaten in de etalages van de grote
winkels. Een ervan
luidde: Geloof, dat er een tijd komt dat politici open en
redelijke mannen zijn.
Geloof dat er een tijd komt dat vrouwen ophouden met hun
slechte koketterie en
alleen nog denken aan hun man en hun huis. Geloof, dat er een
tijd komt dat de
staten ontwapenen en de oorlog wordt beschouwd als een
onmogelijke barbarij.
Maar geloof nooit, dat er een tijd zal komen, dat de man die
zich heeft gewassen
met de hier en alleen hier verhandelde prachtzeep, op zijn kop
krijgt van zijn
vrouw, omdat zijn handen niet lekker ruiken! De mensenmassa die
je
in de zomer in de straten ziet, is zonder elegance. De
voorname wereld is
verdwenen. Wat je dagelijks voor je ogen ziet, zijn de mannen
en vrouwen uit de
lagere middenklasse. Een klasse zonder waardigheid en houding,
zoals de
vergelijkbare klasse in Zwitserland. En dan deze volksvrouwen
in de stad! Je
denkt aan Heine’s uitspraak over madame de Stael als je ze
ziet: Als Helena er
zo had uitgezien, was de Trojaanse oorlog niet gevoerd. Ze
zijn klein, rond,
matig geschapen, zonder spoor van schoonheid of lieflijkheid
en degenen onder
hen die de straat op en neer lopen om contacten te leggen,
zijn in al hun
onaantrekkelijheid ondernemender en opdringeriger dan je
elders in de grote
steden ziet. Natuurlijk vinden de
Nederlanders hun eigen vrouwen mooi. Voor de echte Nederlandse
vriend van het
vaderland zijn de vrouwen in Nederland de mooiste ter wereld,
net zoals de
Nederlandse taal de meest aangenaam klinkende en majestueuze
is. Een Nederlandse
schilder, die me begeleidde op een tochtje langs de kust en me
opmerkzaam maakte
op zowel de vissersmannen en –vrouwen als op de mooie mannen
en vrouwen uit
welgestelde Nederlandse families in de badplaatsen, zei het
zo: ‘Ja, onze
vrouwen zijn prachtig. Ziet u, de Venus van Milo is eigenlijk
typisch een
Nederlandse. Een paar jaar geleden – zeg het niet tegen mijn
vrouw – had ik
een model en vriendin, die was geschapen als de Venus van
Milo. En kijk om u
heen, u ziet haar overal: laag voorhoofd, kleine, rechte neus,
breed middel en
– niet veel intelligentie. U ziet, dezelfde karakterkenmerken
als bij de oude
Venus. Ook in haar gezicht is er niet veel intelligentie.’ Voor een vreemde is
het nauwelijks mogelijk met zo’n verrukte blik te kijken. Hij
zal zich nu en
dan verbazen over opvallende kleding, zoals die van de vrouwen
in Friesland die
onder een kap een gouden plaat om hun hoofd dragen, of de
vrouwen in Zeeland die
bij hun oren spiralen dragen van hetzelfde metaal. Maar hij
zal zich zelden
omkeren naar een mooi gezicht. Alleen in Rotterdam waren
verscheidene van de
volkse vrouwen heel mooi, groot en prachtig gebouwd, maar die
beantwoorden meer
aan het Vlaamse type dan wat de vreemdeling aan Nederlandse
types bij
gelegenheid krijgt te zien. Zoals elke
rechtgeaarde Nederlander trots is op de vrouwen in zijn land,
zo ook op de
spraak, waarvan hij de klank niet genoeg kan prijzen. Het
Vlaams is voor hem
slechts een minder welluidend aftreksel. De Nederlandse taal,
die klinkt als
Engels met een rijkelijke toevoeging Hebreeuws, klinkt in
vreemde oren over het
algemeen niet mooi. Af en toe, wanneer het teveel op Duits
lijkt, klinkt het
voor ons in zijn hoogdravende stijl nogal komisch. Zo was er
in het theater van
Amsterdam een zelfmoordenaar, die, terwijl hij zijn fles met
gif leegde, drie
keer achter elkaar uitriep Goeden nacht! (wat in noordelijke
oren klint als
chroeten). Wel is het zo dat de klanken in verzen en in
plechtige toespraken
iets majestueus hebben. Met het Deens heeft
de Nederlandse taal niet weinig raakvlakken. Veel woorden
(zoals afdeling e.d)
worden bijna net als in het Deens geschreven en in vroeger
tijden hebben we
talrijke woorden, vooral zeemansuitdrukkingen van de
Nederlanders overgenomen,
zoals Schoutbijnacht of een woord als oorlog, die wetteloze
toestand. Het is
ergerlijk voor een Deen om het te moeten zeggen, maar het is
zeker waar, dat
onze taal over het algemeen afschuwelijk klinkt in Nederlandse
oren. Ze vinden
het, net als de Zweden, mat en zonder karakter. Des te meer is
het een aangename
verrassing dat kennis van de Deense taal en literatuur
opvallend veel voorkomt.
In elke stad zijn er wel mensen, die Deens kunnen. Vooral bij
de dames, die
weet- en leergierig genoeg zijn om de taal te leren, niet om
te gebruiken, maar
om de literatuur in zijn originele taal te lezen. Vergelijk
daarmee eens de
luiheid en het gebrek aan interesse hier in Denemarken. Waar
zou de Nederlander,
op reis in Denemarken, een dame kunnen ontmoeten die de
Nederlandse auteurs voor
haar plezier leest, laat staan tientallen jonge mannen en
vrouwen, die zijn taal
beheersen, zoals de Deen dat aantreft in Nederland. De laatste
tijd zijn er
verschillende vertalingen verschenen uit de Scandinavische
talen. De namen van
de bekendste noordelijke dichters en schrijvers zijn hier
doorgedrongen.
Weliswaar heeft de vertaler niet altijd de noordelijke taal
voldoende in zijn
macht. Zo is Ernst Ahlgrens roman Modern (De Moeder) vertaald
met de titel
Moderne. De klemtoon is op de laatste lettergreep gelegd. De liefhebbers van
taal en literatuur die ik in Amsterdam leerde kennen, hoorden
allen tot de oude
stroming, wier orgaan van Hall’s wijd verspreide tijdschrift
De Gids is. Ze
keken vol boosheid en vooroordelen naar de jonge, aanstormende
generatie,
beschuldigden hen ervan zich in hun novellen en romans te
richten op het
onfatsoenlijke en smerige, en van het huldigen van
materialistische opvattingen
in hun verhandelingen van filosofische of sociale signatuur.
Hun gedachten
draaiden zich hoofdzakelijk om de verheffing van de menselijke
verantwoordelijkheid, om zedelijke idealen volgens de
begrippen van Kant. Van Henrik Ibsen,
die
hen behoorlijk bezighield, omdat hij door de jongeren werd
gebruikt om hen te
pesten en te ergeren, kenden ze alleen Spoken, dat hen tot het
uiterste had
opgewonden, omdat de schrijver als echte materialist in dat
drama de mens in
zijn eigenschap van erfnemer elke verantwoordelijkheid voor
zijn handelingen
kwijtschold. Tevergeefs probeerde ik het evenzo geldige
gezichtspunt op het stuk
naar voren te brengen, waarin de mens als erflater voor zijn
nakomelingen een
dubbele verantwoordelijkheid heeft voor zijn manier van leven.
Ibsen was voor
deze ouderen een schrikbeeld geworden. Ja, in de vredige
universiteitsstad
Leiden zei een vriendelijke en ontwikkelde professor in de
literatuurgeschiedenis, allleen al als ik in een gesprek Ibsen
noemde: ‘Oh,
praat me niet van Ibsen! Dat is de vijand.’ Het is duidelijk dat
Ibsen daarentegen welwillend door de jongeren werd bezien en
dat er in zijn
kielzog, zoals eerder bij H.C. Andersen, een aantal
noordelijke boeken in
vertaling het land binnenkwam. Toch voel je hier zowel als
elders hoe klein en
onopvallend de Scandinavische landen zijn in Europa en hoe
gering de interesse
is voor de twee Scandinavische talen. In de grote leesclub Het
Leesmuseum in
Amsterdam lagen kranten en tijdschriften uit alle landen van
de wereld, niet
alleen een heleboel Europese, maar zelfs Aziatische en
Afrikaanse, echter geen
enkele Deense, Noorse of Zweedse. Zo was (of is) het ook in de
leeszalen in de
Koninklijke Bibliotheek in Berlijn. Daar lag een paar jaar
geleden geen enkel
tijdschrift in een van de Scandinavische talen. In dat opzicht
lijkt het in
Berlijn en Amsterdam alsof je in Bombay of Peking bent, en dan
te weten dat je
slechts een dag of een etmaal verwijderd bent van Kopenhagen. Bij de mannen van de
jonge school, zij die De Nieuwe Gids volschrijven, trof ik een
niet heel geringe
aandacht aan voor de noordelijke literatuur in het algemeen,
hoewel geringer dan
voor de Engelse en vooral voor de Franse. Met Duitse
literatuur houden ze zich
nauwelijks bezig. Literair gezien waren ze ijverige
symbolisten en decadenten.
Voor hen waren Mallarmé en Verlaine al stamoudsten; het waren
de jongste Franse
schrijvers, wier betekenis voor de toekomst zo twijfelachtig
is, die hun hele
aandacht hadden. De mannen van de oudere lichting in Nederland
hadden dezelfde
aanmerkingen op hen als die Leconte de Lisle of
Sully-Prudhomme tegen de jongste
dichters in Frankrijk richten. Regelmatig werd de vraag
gesteld: ‘Begrijpt u
onze jonge dichters en het Nederlands dat ze schrijven? In dat
geval wensen we u
geluk, want wij begrijpen het niet.’ Op een avond in Amsterdam
had ik een paar
jonge poëten op mijn kamer, van wie de ene zijn gedichten vol
enthousiasme en
overgave aan me voorlas. De Nederlandse taal vormde zich rijk
en plechtig in
zijn mond, maar mij ontging de betekenis: ‘Ze trad naar buiten
in de
glasachtige stilte.’ Ik onderbrak hem: ‘Wat bedoelt u met een
glasachtige
stilte?’ ‘Ja, als u zoiets vraagt, kan men u geen lyrische
poëzie
voorlezen.’ ‘De tranen rolden melodieus over haar wangen.’
‘Hoezo
melodieus?’ ‘Ach, dat begrijpt u heel goed.’ IV In
Amsterdam ontving ik van een familie uit Haarlem een
uitnodiging om hen te
bezoeken en van De
Maatschappij ter
befordering van nijverheid een uitnodiging voor de
festiviteiten waarmee dit
gezelschap zijn 114e algemene vergadering in
Haarlem afsloot. Er
was een stoombootje gehuurd, waarop 35 heren en 35 dames aan
boord gingen om van
Haarlem over de Spaarne naar de haven van IJmuiden te varen,
waar we de nieuwe,
prachtige sluizen gingen bezichtigen en om vandaar met een
andere, steviger
gebouwde stoomboot een tochtje op de Noordzee te maken. Het
was voor een
buitenlander een aangename manier om een voornaam Nederlands
gezelschap te leren
kennen. De toon was ongedwongen en goed. Mannen van
verschillende partijen
praatten met buitengewone hoffelijkheid met elkaar; mannen van
verschillende
standen zochten elkaar op: tulpenhandelaren en artsen,
geleerden en handelaren,
industriëlen en ambtenaren. Verscheidene dames waren heel
mooi, hun karakter
natuurlijk en terughoudend, geen koketterie. Zelfs de
kunstenaressen onder hen
maakten de indruk dat ze al hun tijd hadden doorgebracht in de
schoot van de
familie. Tijdens de lunch aan boord werden er een paar
plichtmatige toespraken
gehouden, die echter niet zo vervelend waren als dezelfde
soort toespraken in
Duitsland; deze hier waren namelijk bedoeld als goedmoedig
spottend, hadden niet
de plechtige intonatie van de Duitsers. ’s
Avonds was het slot Paviljoen in het Frederikspark in Haarlem
feestelijk
verlicht, het slot waarin Napoleons broer, koning Lodewijk van
Nederland, een
tijdje hof hield. Er was muziek en dans, en de Nederlandse
dames toonden hun
lieftalligheid, een lieftalligheid die iets Engels had. Alleen
waren hun voeten
te klein om aan een Engelse te kunnen toebehoren. Terwijl de
muziek klonk en er
gedanst werd, waren de gesprekken aan de tafeltjes in de open
lucht licht en
levendig. Jonge Nederlanders onderhielden me over moderne
schilders en
schrijvers, over Whistler die onlangs hier op bezoek was
geweest en wiens humeur
niet minder dan zijn kunst hen in beslag had genomen; over hun
verblijf in
Parijs, waar het hen niet was gelukt de betekenis te vatten
van schrijvers als
Barrès en waar het gehakketak van de jonge schrijvers hen had
verbaasd, terwijl
ze zichzelf verbonden voelden in een broederschap met iedereen
uit hetzelfde
kamp. Op
het grote plein in Haarlem, waar de Grote Kerk, het raadhuis
en de prachtige
Vleeshal staan, in hun stijl is de Beurs in Kopenhagen
gebouwd, pronkt een
beeltenis in bovennatuurlijke grootte van die Koster die de
boekdrukkunst niet
uitvond, maar aan wie vaderlandsgevoelens en humbug in
gezamelijkheid die eer
wel willen geven – een ware schandpaal in brons voor dat dwaze
patriotisme.
Van de Vleeshal is alleen de buitenkant bezienswaardig, maar
het raadhuis
bekoort met zijn beroemde grote verzameling schilderijen van
Frans Hals. Hier
kun je zijn ontwikkeling volgen vanaf zijn dertigste tot zijn
tachtigste, zoals
in Venetië Titiaan gedurende een nog langere tijd. Wat het
raadhuis van hem
heeft, zijn allemaal grote, officiële, op bestelling
geschilderde
portretgroepen, in zijn hoogtijdagen bewonderenswaardig
geschilderd. Heel
leerrijk was het om Frans Hals’ talent te zien om de in de
loop van de tijd
blijvende en veranderende trekken in een gezicht te vatten en
weer te geven in
de portretten van officier Michiel de Waal, die zowel in 1627
als in 1639 een
van de officieren is van St. Joris Doele. Naast
het Frans Hals museum in Haarlem was het grote Koloniaalmuseum
de moeite waard.
Ik had de gelegenheid het te zien, begeleid door de directeur.
Wie raakt er niet
afgestompt bij het zien van etnografische verzamelingen – maar
deze
verzameling maakt indruk, want het verklaart aan de
vreemdeling het land dat hij
om zich heen ziet. Zeker
wordt hij in Nederland bij elke stap herinnert aan de
koloniën, want overal
ontmoet hij mensen van gemengde, Oostindisch-Nederlandse
afstamming of mensen
die als ambtenaar daar met verlof thuis zijn of die daar zijn
geboren uit
Europese ouders en daar lang hebben gewoond, of die huiswaarts
zijn gekomen na
daar een vermogen te hebben verdiend. Maar pas hier in het
museum begrijp je
zonder meer wat de koloniën betekenen voor het land. Nederland
lijkt immers een
klein land met slechts vier miljoen inwoners, maar dit aantal
is misleidend.
Want Nederland heeft alleen al in Azië 28 miljoen onderdanen.
En je kunt op
geen enkele manier de Nederlandse bezittingen in Azië
vergelijken met die van
België in Kongo. Want Kongo is niet meer dan een door
ambtenaren slecht
bestuurd land, dat België nog grote moeilijkheden met de
buurmachten kan
bereiden, terwijl de Aziatische koloniën – ondanks die
vreselijke
Atjeh-oorlog – van groot belang zijn voor het nationale gevoel
en een stug
stromende bron van rijkdom. Zonder koloniën kun je je
Nederland niet
voorstellen; erzonder was het een vijfderangs macht. Of zoals
een Nederlander
het meer naar waarheid dan vlijend met een glimlachje
uitdrukte: ‘Zonder
koloniën zou Nederland niet meer voorstellen dan –
Denemarken.’ Terwijl
de Amerikaanse koloniën het moederland geld kosten, zijn de
Oostindische
eilanden bijzonder winstgevend en hun natuurlijke rijkdommen
wekken de verbazing
van de bezoeker. Het museum heeft alles wat er op de eilanden
te vinden is:
steensoorten, voedingsmiddelen, houtsoorten, plantenvezels en
weefstoffen,
geneesmiddelen, kleurstoffen, oliën en gummisoorten, rubber en
guttapercha (van
getah (= rubber) en percha (= boom)) en tenslotte voorbeelden
van de belangrijke
industriële en naïef, kunstzinnige producten van de inwoners.
Het is niet te
geloven wat er gemaakt kan worden alleen al van de in lange
tijd weggeworpen
vezels van de kokosnootschaal. In
dit land hoeft een krachtdadige jeugd zich het leven niet zuur
te maken door op
een kantoor de boekhouding te doen en nooit iets ander te zien
dan de vier muren
van het kantoor en de muur van de buurman. In een maand tijd
is de jongeman
daarginds, waar de meest verschillende bezigheden in de
buitenlucht op hem
wachten. De directeur zei: ‘Ik jaag iedereen die hier komt en
om advies vraagt
daarnaartoe, net zoals ik mijn eigen zoon ernaartoe heb
gestuurd, eerst daarheen
en dan naar Venezuela. Ik zeg tegen iedereen die het museum
bezoekt om kennis op
te doen over de omstandigheden: Ga erheen, maak het mee,
beplant de grond of
bouw een industrie op; op die manier doen jullie het meest
voor Nederland.’ De
Nederlandse toekomst is op alle manieren veilig; zijn
onrustige, oorlogsrijke
verleden was groots. Af en toe vind je in de Nederlandse
steden historische
gedenktekens die dat grootse verleden weer tot leven brengen.
Ik denk niet
zozeer aan moderne schilderijen met historische onderwerpen
als die in Haarlem,
die de vrouwen van de stad op de muren toont, terwijl ze
kokend water over de
geharnaste soldaten van Alva gieten of terwijl ze als een man
met lansen en
zwaarden tegen de soldaten vechten. Deze schilderijen zijn
immers niet uit die
tijd. Waardevoller zijn de historische portretten, zoals de
vele van admiraal de
Ruiter, Neerlands nationale held, het vierkante, door weer en
wind getekende
gezicht, het haar met de scheiding op het voorhoofd, waar we
ook een voorbeeld
van hebben in ons eigen museum. Maar de sterkste indruk van de
oude tijd kreeg
ik toen mijn gids in het museum in Leiden me een groot, wit
vlaggedoek met een
levensgrote Christus liet zien. Die was veroverd toen de
Spaanse Armada zonk.
Deze ene vlag, deze Christus, levensgroot op de vlag – en al
Spanje’s
religieuze fanatisme met zijn gevolgen van inquisitie en
ketterverbranding doken
uit het verleden voor mijn ogen op, en ik hoorde in mijn oren
de wilde wraakzang
van de Nederlanders uit 1570 Het
Standbeeld
van Alva, gezongen toen de menigte zijn bronzen beeld
door het
stof sleepte, een ruwe triomfzang over de Spaanse hoogmoed die
ten val was
gekomen. V Leiden is van
oudsher
een voorname universiteitsstad. Niet zonder eerbied treed je
de beroemde
senaatszaal met de portretten van alle professoren van
vroegere tijden tot nu
binnen, de zaal waarvan Niebuhr zei dat er voor de wetenschap
geen
eerbiedwaardigere was in Europa. Ja, het was een schuilplaats
voor de vrijheid,
dat Nederland, dat ook het eerste doel was van Holbergs eerste
reis. Een uitnodiging van
een man met het adres Oude Rhijn die bij mijn aankomst in
Leiden op me lag te
wachten, deed me denken aan de woorden van de oude dichter Fr.
Paludan-Müller.
Hij zei altijd tegen ons jongeren: ‘Doe wat u wil, maar zorg
ervoor niet te
eindigen als de Rijn in het zand bij Leiden!’ Ik heb de bron
van de Rijn in
Zwitserland gezien; daar is hij op sommige plaatsen niet
breder dan dat een
gymnasiast van de ene oever naar de andere kan springen. Ik
heb hem gezien als
bruisende waterval en ik zag hem breed en majestueus onder de
spoorbrug bij
Keulen stromen. Hier kroop hij zwak en stilletjes in vuile
kanalen en op zijn
oevers werden er barakken gebouwd en kermissen gevierd met
draaiorgels en clowns
als om hem te honen. Hij had helemaal gelijk, de oude,
verstandige heer. Eindig
niet als de Rijn in het zand bij Leiden. Ik beken een
ketterij: van wat ik in Nederland heb gezien, vind ik Den Haag
het mooist. Op de
Vijverberg staan en uitkijken over de lieflijke vijver, waar
tientallen witte
zwanen zwemmen, naar het Binnenhof (dat geweldige slot, dat op
zoveel oude en
moderne schilderijen is verheerlijkt), daar overdag te staan,
’s avonds terug
te komen en die donkere, mooie massa op de andere oever onder
de sterrenhemel te
aanschouwen – dat is een genot, een van de mooiste momenten in
de buitenlucht
die Nederland kan bieden. Den Haag is als
Nederlandse stad niet zo bijzonder als Amsterdam, Haarlem,
Leiden, Rotterdam en
veel andere steden, maar misschien met zijn voorname mengeling
van wereldse en
nationale eigenschappen aantrekkelijker dan de andere, vooral
in korte tijd.
Alleen hier vind je midden in de zomer de voornamere bewoners
van de stad. Het is de droom van
iedere hardwerkende Nederlander om rijk te worden en in Den
Haag te kunnen gaan
wonen en een paar zomermaanden in Scheveningen te kunnen
doorbrengen. Met de
electrische trein ben je er in slechts twaalf minuten. Daar is
schone lucht,
open zee en misschien een wat frisser leven dan in Oostende en
Blankenberghe. In Den Haag woont de
oude en bekende schilder Josef Israels, de grote, moderne
vernieuwer van de
Nederlandse schilderkunst. Hij wordt in de stad zozeer
bewonderd dat je aanzien
in een hotel merkbaar stijgt als hij je bezoekt. Vanaf het
moment dat hij me een
paar keer had bezocht in het hotel, was ik deelgenoot van de
grootst mogelijke
opmerkzaamheid van de kant van de hoteleigenaar. Van de aangename
kunstenaars die ik ken, is Israels de meest aangename. Klein
en beweeglijk,
levendig, enthousiast, vrolijk en zorgeloos, zo is hij als
kunstenaar. Als
kunstenaar heeft hij een periode van diepgaande gevoeligheid
achter zich. Nu
maakt het medeleven dat hij voelt voor het bestaan van de
meest eenvoudigen hem
niet langer week, geeft alleen de liefde voor de schoonheid,
die in zijn kunst
ligt een afspiegeling van menselijke tederheid. Naast zijn werk zijn
het Mesdags zeegezichten en de landschappen van de broers
Maris waar de blik het
langst bij blijft hangen in de Haagse verzamelingen van
moderne Nederlandse
kunst. Het was echter niet
de nieuwere kunst waaraan ik mijn diepste indrukken te danken
had in Den Haag of
elders in Nederland. De diepste indruk, bijna zo sterk als de
indrukken die ik
in mijn jeugd kreeg van Michelangelo of Leonardo, ontstond
door Jan Vermeers
schilderij Gezicht op Delft in het museum in Den haag. Ik kende Vermeer
niet
als landschapsschilder. Toen ik voor het eerst in het museum
van jonkheer Six in
Amsterdam zijn straat-vedute zag, voelde ik van blijdschap een
electrische schok
door lichaam en ziel gaan. Hij is als schilder verwant met
Pieter de Hoogh, maar
hij is toch meer bijzonder, breder en sterker. Van de
Nederlanders heeft hij als
enige gebroken met het bijgeloof dat schemering noodzakelijk
is voor de poëzie
van de schilderkunst. De anderen, zelfs de grootsten onder
hen, hebben ten
gunste van de harmonie van het geheel de natuur geweld
aangedaan, willekeurig
het natuurlijke licht aangepast, omdat ze werden aangetrokken
door het
geheimzinnige van halfdonkere ruimten. Hij alleen is in staat
geweest het
heldere daglicht te vangen binnen de lijsten van zijn
schilderijen. Alleen al Het
straatje in Delft in de verzameling van Six straalt als een
ster. Zijn hemel is
zo monter en achter de poort opent zich een wonderbaarlijk
vergezicht. Je blijft
maar naar die geopende poort kijken, waar die oude vrouw staat
te wassen. Er
heerst een stilte in die straat, zodat je als het ware de
katten op het dak kunt
horen miauwen. Maar veel
belangrijker is het schilderij van Delft in Den Haag, een
architectuurschilderij
zonder weerga. Links op de
voorgrond
een verlicht vlak strand, een zwarte boot en kleine, donkere
vrouwengestaltes
met lichte hoofddoeken en omslagdoeken. In het midden het
water met mooie
lichtgrijze vlakken en weerspiegelingen. Op de achtergrond
strekt Delft zich
uit, machtig en schilderachtig met zijn huizen en torens en
zware, stevige
gebouwen met open poorten en mooie torenspitsen in de richting
van de haven.
Donkerrode, kleurrijke daken links. In het midden zonlicht op
lichtrode stenen
en een concert van grijze, rode, bruine en weer grijze kleuren
op een
middeleeuwse architectuur van torens, die rechts overgaan in
goudgeel. Voor
alles trekt het gebouw rechts met de twee torenspitsen de
aandacht. Er zit
zoveel bezieling in die muur. Die muur is schoonheid, een
geheel van talloze,
diepe, op een meeslepende manier samensmeltende kleuren. VI De volkeren die in de 19e eeuw gebieden hebben verloren, maken over het algemeen de indruk te lijden onder een onverwerkt verlies. De Nederlanders maken in hoge mate de indruk aan zichzelf genoeg te hebben. Dat wil niet zeggen dat ze geen belangstelling hebben voor het onbekende. In de welgestelde klasse beheerst men de drie Europese hoofdtalen. Men spreekt het liefst Frans, maar ze kunnen het beste Duits, hoewel ze het in het algemeen met veel fouten spreken, omdat Duits zo nauw verwant is aan hun eigen taal. Ze hebben geen behoefte aan de verheffing van hun eigen land. De liefde van de Nederlands sprekende Belgen voor Nederland kan zonder veel overdrijving getypeerd worden als een ongelukkige liefde. Hij komt maar van één kant. Niemand in Nederland wil een hereniging met België in welke vorm dan ook. Een lid van de Staten-Generaal, die duidelijk blijk gaf van deze opvatting, antwoordde op de vraag of hij zijn land niet graag groter zag worden: ‘Graag, maar niet op die manier. De Belgen zijn katholiek en Frans, een voor ons onbekend volk.’ In België dromen de Vlaminganten van een verbintenis tussen hun troonopvolger en de kleine, lieftallige koningin van Nederland, die door het Nederlandse volk van voorheen republikeinen wordt aanbeden vanwege haar lief gezichtje en haar negen jaren. Maar in de noordelijke Nederlanden wil niemand weten van zo’n verbintenis. De kloof tussen België en Nederland lijkt te zijn gegraven voor onoverzienbare tijd.
|
|
|
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze
website verzenden aan
baptist@janbaptist.nl.
|
|
|